advocate

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ad·vo·ca·te
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord advocate advocaten, advocates
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

advocate v

  1. (beroep) vrouwelijke vorm van advocaat
    De advocate van de verdachte pleitte voor vrijspraak.
Vertalingen