adverteerder

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ad·ver·teer·der
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord adverteerder adverteerders
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

adverteerder m

  1. iemand die een reclame plaatst
    • Een dagblad verdient zijn geld aan adverteerders en abonnees 
    • Google verdient geld door advertenties te plaatsen voor adverteerders. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.