adresseer

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • adres·seer

Werkwoord

vervoeging van
adresseren

adresseer

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van adresseren
    • Ik adresseer. 
  2. gebiedende wijs van adresseren
    • Adresseer! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van adresseren
    • Adresseer je?