admiraal

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ad·mi·raal
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘opperbevelhebber van oorlogsvloot’ voor het eerst aangetroffen in 1492 [1]
  • uit het Arabisch [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord admiraal admiraals
admiralen
verkleinwoord admiraaltje admiraaltjes

Zelfstandig naamwoord

admiraal m

  1. (militair) (beroep) opperbevelhebber van een oorlogsvloot
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen