adjuvant

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ad·ju·vant
Woordherkomst en -opbouw
  • uit het Latijn
enkelvoud meervoud
naamwoord adjuvant
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

adjuvant m

  1. (farmacologie) stof die men aan een vaccin toevoegt om de immuunreactie te versterken
     Volgens hem is er tussen de 100 en 200 miljoen euro nodig om alvast klinisch onderzoek te doen naar een onderdeel van zo’n vaccin. Het gaat om een zogenoemd adjuvant dat zorgt voor een snellere afweerreactie op het virus.[1]
     Gebruik van een zogeheten adjuvant, een stof die het immuunsysteem stimuleert, kan het aantal beschikbare doses wellicht vergroten doordat er minder viruseiwit nodig is om een goede, beschermende afweerreactie te krijgen.[2]
  2. (farmacologie) stof die aan een (chirurgische) behandeling wordt toegevoegd om de werking te versterken
Synoniemen

Gangbaarheid

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 15 oktober 2021 Weblink bron “’Hoogervorst pompt onnodig geld in staatsbedrijf’” (4 april 2006), Reformatorisch Dagblad
  2. Bronlink geraadpleegd op 15 oktober 2021 Weblink bron “Virologen twijfelen: wel of geen vaccin?” (8 mei 2009), Reformatorisch Dagblad