adelantar
Uiterlijk
- a·de·lan·tar
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| infinitief | verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| adelantar |
adelantaba |
adelantado |
| volledig | ||
adelantar
- onovergankelijk opschieten, vorderen
- vooruitgaan, vooruitgang boeken
- bereiken, winnen, zich opwerken
- voorlopen (van uurwerk)
- overgankelijk vervroegen
- versnellen, bespoedigen, inhalen (in het verkeer)
- vooruitbetalen, vervroegen
- vooruitzetten (uurwerk)