acuut

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • acuut
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘plotseling opkomend (van ziekte)’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1832 [1]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen acuut acuter acuutst
verbogen acute acutere acuutste
partitief acuuts acuters -

Bijvoeglijk naamwoord

acuut

  1. plots ontstaan, op korte termijn verlopend, meestal ook spoedeisend ingrijpen vereisend
    • Gelukkig werd de man met een acute blindedarmontsteking snel geholpen, want hij verging van de pijn. 
  2. direct
    • Je moet acuut deze brief posten, want anders kun je ontslagen worden. 
Vertalingen

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders
96 % van de Vlamingen.

Verwijzingen