acuut

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • acuut
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen acuut acuter acuutst
verbogen acute acutere acuutste
partitief acuuts acuters -

Bijvoeglijk naamwoord

acuut

  1. plots ontstaan, op korte termijn verlopend, meestal ook spoedeisend ingrijpen vereisend
    Gelukkig werd de man met een acute blindedarmontsteking snel geholpen, want hij verging van de pijn.
  2. direct
    Je moet acuut deze brief posten, want anders kun je ontslagen worden.
Vertalingen