Naar inhoud springen

acuut

Uit WikiWoordenboek
  • acuut
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘plotseling opkomend (van ziekte)’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1832 [1]
stellendvergrotendovertreffend
onverbogen acuutacuteracuutst
verbogen acuteacutereacuutste
partitief acuutsacuters-

acuut

  1. plots ontstaan, op korte termijn verlopend, meestal ook spoedeisend ingrijpen vereisend
    • Gelukkig werd de man met een acute blindedarmontsteking snel geholpen, want hij verging van de pijn. 
     Irad knikte alleen en veinsde een meewarig gezicht. Voor hem was iedereen die hier kwam, en wat hem betrof de hele wereld, een grove leugenaar of op zijn minst louche. De bar was voor veel mensen het laatste station voor een acute opname. Om die reden werd het ook de gezelligere wachtkamer van het Maison Blanche Ziekenhuis genoemd.[2]
     Van gebroken benen vanwege kapotte tegels tot acute voedselvergiftiging omdat het keukenpersoneel stelselmatig eten opwarmde.[3]
  2. direct
    • Je moet acuut deze brief posten, want anders kun je ontslagen worden. 
93 %van de Nederlanders;
94 %van de Vlamingen.[4]