acuut

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • acuut
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen acuut acuter acuutst
verbogen acute acutere acuutste
partitief acuuts acuters -

Bijvoeglijk naamwoord

acuut

  1. plots ontstaan, op korte termijn verlopend, meestal ook spoedeisend ingrijpen vereisend
    • Gelukkig werd de man met een acute blindedarmontsteking snel geholpen, want hij verging van de pijn. 
  2. direct
    • Je moet acuut deze brief posten, want anders kun je ontslagen worden. 
Vertalingen

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders
96 % van de Vlamingen.