actualiteit

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ac·tu·a·li·teit
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘onderwerp van de dag’ voor het eerst aangetroffen in 1754 [1]
  • Van het Franse actualité met het achtervoegsel -iteit [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord actualiteit actualiteiten
verkleinwoord actualiteitje actualiteitjes

Zelfstandig naamwoord

actualiteit v

  1. datgene wat momenteel sterk in de belangstelling staat
    • Dit programma houdt zich voornamelijk met actualiteiten bezig. 
    • De oorlog in de Oekraïne is nu weer uit de actualiteiten verdwenen. 
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen