acteer

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ac·teer

Werkwoord

vervoeging van
acteren

acteer

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van acteren
    • Ik acteer. 
  2. gebiedende wijs van acteren
    • Acteer! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van acteren
    • Acteer je?