achterpoortje

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ach·ter·poort·je

Zelfstandig naamwoord

achterpoortje o

  1. verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord achterpoort

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.