achterop

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ach·ter·op
Woordherkomst en -opbouw

Bijwoord

achterop

  1. op de achterzijde of het achterdeel
    • Hij reed met zijn vriendin achterop naar Leiden. 
  2. bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord
    • achteroplopen: Nederland loopt nog steeds achterop, vergeleken met de buurlanden. 
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.