achterhoede

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ach·ter·hoe·de
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord achterhoede achterhoeden, achterhoedes
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

achterhoede v

  1. (sport) de posities op het speelveld het dichtste bij het eigen doel
    • Als kleine jongen speelde ik altijd in de achterhoede. 
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.

Verwijzingen