achterbaks

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ach·ter·baks
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘stiekem’ voor het eerst aangetroffen in 1451 [1]
  • Samenstellende afleiding van achter, het verouderde bak met het achtervoegsel -s (verg. bakboord)
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen achterbaks achterbakser achterbakst
verbogen achterbakse achterbaksere achterbakste
partitief achterbaks achterbaksers -

Bijvoeglijk naamwoord

achterbaks

  1. stiekem, stom, geniepig
     Pieter de geniale strafpleiter is een achterbakse hufter die op kantoorsletjes valt.[2]
    • Wat een achterbakse streek! 
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen