Naar inhoud springen

achteraf

Uit WikiWoordenboek
  • ach·ter·af

achteraf

  1. na afloop
    • Achteraf is makkelijk praten. 
     Achteraf herinner ik me haar gezicht niet meer, maar ik weet dat er geen sprankje teleurstelling in school.[2]
     Achteraf realiseerde ze zich dat er hoogstwaarschijnlijk een sussend, enigszins lacherig antwoord op haar paniekerige belletje was gevolgd.[3]
  2. in een afgelegen hoek, ver, alleen
    • De verlegen man stond altijd wat achteraf de wereld te observeren. 
100 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[4]