acertar
Uiterlijk
- a·cer·tar
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| infinitief | verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| acertar |
acertaba |
acertado |
| volledig | ||
acertar
- treffen, raakschieten, in de roos schieten
- erachter komen, vinden
- het goede doen, het juist hebben
- er in slagen om, het voor mekaar krijgen om
- [1] atinar
- overgankelijk
- [1] adivinar