accroître
Uiterlijk
- van Latijn accrescere [1]
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| infinitief | verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| accroître /a.kʁwatʁ/ |
accroissais /a.kʁwa.sɛ/ |
accrû /a.kʁy/ |
| derde groep | volledig | |
accroître
- overgankelijk doen groeien, toenemen; vergroten; versterken
- wederkerend s'~: groter worden; groeien; toenemen;...
- "accroître" is geschreven in de traditionele spelling, de verbeterde spelling van 1990 is: accroitre.
- ↑ accroître (Etymologie) in: Le Trésor de la Langue Française informatisé (1971-1994)
op de website cnrtl.fr
.