accoucher
Uiterlijk
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| infinitief | verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| accoucher |
accouchais |
accouché |
| eerste groep | volledig | |
accoucher
- onovergankelijk bevallen [2]
- onovergankelijk (spreektaal) voor de draad komen (met)
- «Eh bien, elle vient ton histoire? Accouche!»
- En, komt je verhaal nog? Voor de draad ermee! [1]
- «Eh bien, elle vient ton histoire? Accouche!»