abrupts

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ab·rupts

Bijvoeglijk naamwoord

abrupts

  1. partitief van de stellende trap van abrupt


Engels

Werkwoord

abrupts

  1. derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van (to) abrupt