abraham

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: Abraham

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • abra·ham
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord abraham abrahams
verkleinwoord abrahammetje abrahammetjes

Zelfstandig naamwoord

abraham m

  1. (Jiddisch-Hebreeuws) (voeding) pop die Abraham voorstelt, gegeven aan mannen die vijftig jaar worden, gemaakt van brooddeeg, speculaas of ander materiaal; oorsprong is vermoedelijk een interpretatie van Joh. 8:57 waarbij iemand die vijftig jaar is, Abraham gezien zou hebben
    • Hij kreeg een abraham op zijn 50e verjaardag. 
Verwante begrippen
Spreekwoorden

In Abrahams schoot zitten.

  • Het goed hebben.

Weten waar Abraham de mosterd haalt.

  • Op de hoogte zijn.

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
84 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen