aborteren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • abor·te·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aborteren
aborteerde
geaborteerd
zwak -d volledig

Werkwoord

aborteren

  1. overgankelijk een foetus weghalen
    • Zij liet zich na dat nieuws meteen aborteren. 
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders
95 % van de Vlamingen.

Verwijzingen