aborteren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • abor·te·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aborteren
aborteerde
geaborteerd
zwak -d volledig

Werkwoord

aborteren

  1. (overgankelijk) een foetus weghalen
    Zij liet zich na dat nieuws meteen aborteren.
Afgeleide begrippen
Vertalingen
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl