aborrecer

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Spaans

Uitspraak
Woordafbreking
  • a·bo·rre·cer
stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aborrecer
aborrecía
aborrecido
volledig

Werkwoord

aborrecer

Woordafbreking
  • a·bo·rre·cer
  1. (overgankelijk) verafschuwen, verfoeien, verachten, een afkeer hebben van
  2. vervelen
Synoniemen