abondance

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • abon·dan·ce
Woordherkomst en -opbouw
  • uit het Frans: overvloed
enkelvoud meervoud
naamwoord abondance abondances
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

abondance v/m

  1. koeienras
  2. Franse kaas
  3. bod bij het kaarten (wiezen)

Gangbaarheid

39 % van de Nederlanders;
63 % van de Vlamingen.

Meer informatie