abduceer

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ab·du·ceer

Werkwoord

vervoeging van
abduceren

abduceer

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van abduceren
    • Ik abduceer. 
  2. gebiedende wijs van abduceren
    • Abduceer! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van abduceren
    • Abduceer je?