aaste
Uiterlijk
- aas·te
| Naar frequentie | zeldzaam |
|---|
aaste
- eerste persoon enkelvoud verleden tijd aantonende wijs bedrijvende vorm van aasen
aaste
- derde persoon enkelvoud verleden tijd aantonende wijs bedrijvende vorm van aasen
aaste
- eerste persoon enkelvoud verleden tijd aanvoegende wijs II bedrijvende vorm van aasen
aaste
- derde persoon enkelvoud verleden tijd aanvoegende wijs II bedrijvende vorm van aasen