aarzelend

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aar·ze·lend
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

vervoeging van: aarzelen
verbogen vorm: aarzelende

aarzelend

  1. onvoltooid deelwoord van aarzelen
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen aarzelend aarzelender aarzelendst
verbogen aarzelende aarzelendere aarzelendste
partitief aarzelends aarzelenders -

Bijvoeglijk naamwoord

aarzelend

  1. met twijfel en onzekerheid
    • Twee maanden later stond de ploeg, met ook nog de tot Nederlander genaturaliseerde Belg Bram Louwije tussen de wereldtop. Een beetje aarzelend nog, dat wel. "Die Chinezen zijn echt kneitergoed", vond Schmidt. "Ik was niet heel zenuwachtig, dacht ik. Tot we de arena inliepen." [1] 
    • Ford, zei Fox-commentator Britt Hume, kwam over als authentiek. Breekbaar, aarzelend, onwennig en juist daarom geloofwaardig, in zijn ogen. En niet alleen in de zijne - de tweede man van de Republikeinen in de Senaat, John Cornyn, trok dezelfde conclusie. Hij zag geen reden om Ford níet geloofwaardig te vinden, zei hij direct na de zitting. [2] 
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen