aanzoeker

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·zoe·ker
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord aanzoeker aanzoekkers
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

aanzoeker m [1]

  1. iemand die aan iemand anders vraagt of hij of zij met hem of haar wilt trouwen
    • Haast 70 procent van de lezers van fictieboeken zou uit vrouwen bestaan, en die kijken volgens veel boekenmakers liefst in een flatterende spiegel. Maar ik houd voet bij stuk. Ik beschouw het als een deel van het afscheidsritueel. Menig vormgever trekt nu waarschijnlijk verschrikt een wenkbrauw op, maar liever mijn kromme ontwerp dan een kunstige cover van een melig trutje omgeven met een zekere flou artistique. Een huwelijksaanzoek moet ook niet briljant verwoord worden maar wel passen bij de aanzoeker. [2] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

82 % van de Nederlanders;
87 % van de Vlamingen.


Verwijzingen