aanwees

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·wees

Werkwoord

vervoeging van
aanwijzen

aanwees

  1. (in een bijzin) enkelvoud verleden tijd van aanwijzen
    • ... dat ik aanwees. 
    • ... dat jij aanwees. 
    • ... dat hij, zij, het aanwees. 
     Opgezet door een man die zijn vrouw had verloren en het hotel waar zij hun vakantie doorbrachten als de schuldige aanwees.[1]

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. Suzanne Vermeer op WikipediaAll-inclusive” op Wikipedia (2006), A. W. Bruna Uitgevers B. V. , Utrecht, ISBN 90-229-9182-2