aanvullende

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·vul·len·de

Bijvoeglijk naamwoord

aanvullende

  1. verbogen vorm van de stellende trap van aanvullend

Werkwoord

vervoeging van
aanvullen

aanvullende

  1. verbogen vorm van het onvoltooid deelwoord van aanvullen