aanvechting

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·vech·ting
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord aanvechting aanvechtingen
verkleinwoord aanvechtinkje aanvechtinkjes

Zelfstandig naamwoord

aanvechting v

  1. sterke neiging, verleiding
Vertalingen

Gangbaarheid

93 % van de Nederlanders;
93 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be