aanvechting

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·vech·ting
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord aanvechting aanvechtingen
verkleinwoord aanvechtinkje aanvechtinkjes

Zelfstandig naamwoord

aanvechting v

  1. sterke neiging, verleiding
Vertalingen

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders
95 % van de Vlamingen.