aanvalsplan

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

het aanvalsplan voor D-day
Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·vals·plan
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord aanvalsplan aanvalsplannen
verkleinwoord aanvalsplannetje aanvalsplannetjes

Zelfstandig naamwoord

aanvalsplan o [1]

  1. de wijze waarop men denkt een aanval op de vijand met succes te kunnen uitvoeren
    • „Ze gaan te maken krijgen met vuur en woede die de wereld nog nooit gezien heeft”, zo luidde een tweet van de Amerikaanse president Trump aan het adres van Noord-Korea. De leider van dat land, Kim Jong-un, antwoordde met een aanvalsplan op Guam, een eiland in de Stille Zuidzee, dat valt onder Amerikaans grondgebied.[2] 
  2. (figuurlijk) de wijze waarop men denkt een probleem te kunnen oplossen
    • Het eiland zou vergrijzen. Wij hebben besloten om dat niet te laten gebeuren en zijn met een aanvalsplan gekomen”, zegt Van der Vlugt.[3] 
    • In 2011 lanceerde de politie een zogenoemd aanvalsplan om de rammelende informatiehuishouding op orde te krijgen. Dat volgde op een het rapport ’ict politie 2010’ van de Rekenkamer. Hiervoor werd 374 miljoen euro uitgetrokken. [4] 
Synoniemen

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. de Telegraaf MARTINE DE VENTE 12 aug. 2017
  3. de Telegraaf GERDA FRANKENHUIS 01 sep. 2017
  4. de Telegraaf MICK VAN WELY 04 nov. 2017

Gangbaarheid