aanvaardbaar

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·vaard·baar
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen aanvaardbaar aanvaardbaarder aanvaardbaarst
verbogen aanvaardbare aanvaardbaardere aanvaardbaarste
partitief aanvaardbaars aanvaardbaarders -

Bijvoeglijk naamwoord

aanvaardbaar

  1. te aanvaarden, acceptabel, gepast
    • Hij heeft ons een aanvaardbaar voorstel gedaan. 
    • De kwaliteit van de maaltijd in dit restaurant was aanvaardbaar, maar dus niet echt goed. 
     Ze bracht haar gejaagde pas terug tot een aanvaardbaar tempo in een ziekenhuis en nam zichzelf voor om niet in de valkuilen van Dorien te tuimelen.[1]
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. Suzanne Vermeer op WikipediaAll-inclusive” op Wikipedia (2006), A. W. Bruna Uitgevers B. V. , Utrecht, ISBN 90-229-9182-2
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be