aanstoker

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·sto·ker
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord aanstoker aanstokers
verkleinwoord aanstokertje aanstokertjes

Zelfstandig naamwoord

aanstoker m

  1. iemand die een opschudding of rel veroorzaakt
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

72 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.