aansteller

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·stel·ler
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord aansteller aanstellers
verkleinwoord aanstellertje aanstellertjes

Zelfstandig naamwoord

aansteller m

  1. iemand die zich aanstelt
    • Mijn ouders vinden me een aansteller. 
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.