aanstaat
Uiterlijk
- aan·staat
| vervoeging van |
|---|
| aanstaan |
aanstaat
- (in een bijzin) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van aanstaan
- ... dat jij aanstaat.
- (in een bijzin) derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van aanstaan
- ... dat hij aanstaat.
- ▸ Azzedine kan het eigenlijk helemaal niks schelen, behalve dat hij als de dood is voor andere homo's want die herkennen elkaar en sommigen zijn net adders: ze verklikken je zo als je gezicht hun niet aanstaat.[1]
- ▸ ' Ik geef haar een knikje om te laten weten dat ik haar heb gehoord, en ga bij mezelf na: wat is eigenlijk houden van? Is het dat de ander doet wat jij wilt? Of juist dat je kunt accepteren dat de ander iets doet wat jou niet aanstaat en dat je toch aanwezig blijft, in liefde? Ik begrijp heel goed wat Bibi bedoelt, maar ik kan het niet goed rijmen dat zij deze wijsheid bezit en ernaar handelt, terwijl ik op mijn zesenveertigste nog steeds in de val trap die ik het 'Anne Frank- telefoontje' noem.[2]
- Het woord aanstaat staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- ↑ Safae el Khannoussi“Oroppa” (2024), Uitgeverij Pluim
, ISBN 9789493339125 - ↑ Marion Pauw e.a.“4 wandelaars en een Siciliaan” (2022), The House of Books, ISBN 9789044363340