aanspreekbaarheid

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·spreek·baar·heid
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord aanspreekbaarheid aanspreekbaarheden
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

aanspreekbaarheid v

  1. de mate van het aanspreekbaar zijn
    • De aanspreekbaarheid van medewerkers is gelukkig groot. 

Gangbaarheid