aansluit
Uiterlijk
- aan·sluit
| vervoeging van |
|---|
| aansluiten |
aansluit
- (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van aansluiten
- ... dat ik aansluit.
- (in een bijzin) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van aansluiten
- ... dat jij aansluit.
- (in een bijzin) derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van aansluiten
- ... dat hij aansluit.
- ▸ 'Ik ken hem beter dan u. Waarmee zal hij u beschermen, señor? Met een steelpannetje? Het is waarschijnlijker dat dat stelletje ongeregeld waarmee hij omgaat een schoffel door uw hart steekt en zich dan aansluit bij de rooien.'[1]
- Het woord aansluit staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- ↑ Jessie Burton (vert.Marja Borg)“De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff
, ISBN 9789024574704