aanrijding

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·rij·ding
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord aanrijding aanrijdingen
verkleinwoord aanrijdinkje aanrijdinkjes

Zelfstandig naamwoord

aanrijding v

  1. botsing met een voertuig, ongeval
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen