aanraakte

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·raak·te

Werkwoord

vervoeging van
aanraken

aanraakte

  1. (in een bijzin) enkelvoud verleden tijd van aanraken
    • ... dat ik aanraakte. 
    • ... dat jij aanraakte. 
    • ... dat hij, zij, het aanraakte.