aanplakker

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·plak·ker
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord aanplakker aanplakkers
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

aanplakker m

  1. iemand die aanplakbiljetten plakt
    • Sjanghai belt aanplakker reclames dol: Het gemeentebestuur van de Chinese havenstad Sjanghai heeft een nieuwe manier gevonden om illegale adverteerders te weerhouden van het volhangen van de stad met aanplakbiljetten: het reageert erop, en liefst zo vaak mogelijk. Het bestuur van Sjanghai heeft in de strijd tegen illegaal aanplakken een computer aangeschaft, die herhaaldelijk de nummers belt die op de posters en flyers vermeld staan. [1] 
    • De auteur bespreekt het arrest van de Hoge Raad waarin de aanplakker van de poster ”Stop het gezwel dat islam heet” werd vrijgesproken. De rechter vond dat het beledigen van een godsdienst niet hetzelfde is als de (verboden) belediging van een groep mensen vanwege hun godsdienst. [2] 

Gangbaarheid

86 % van de Nederlanders;
87 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Reformatorisch Dagblad 12-12-2003 [https://www.rd.nl/vandaag/economie/sjanghai-belt-aanplakker-reclames-dol-1.197927 Sjanghai belt aanplakker reclames dol]
  2. Reformatorisch Dagblad Arjan Klaassen 27-04-2010 Virtueel masker