aanleerde

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·leer·de

Werkwoord

vervoeging van
aanleren

aanleerde

  1. (in een bijzin) enkelvoud verleden tijd van aanleren
    • ... dat ik aanleerde. 
    • ... dat jij aanleerde. 
    • ... dat hij, zij, het aanleerde.