aanlappen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·lap·pen
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

aanlappen

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanlappen
lapte aan
aangelapt
zwak -t volledig
  1. zaken met elkaar verbinden
     Draden aanlappen, weefbreuk herstellen, steeds sneller versnellen,
    herstel de draad, de draad mag niet breken, machine mag niet stilstaan,
    anders geen loon, anders ontslag, voor jou tien anderen, dus werk en lach
    en werk en werk en werk.
    [1]
  2. (financieel) verkopen van aandelen
     “Op deze noodkoers ga je toch geen stukken aanlappen?”, zeiden we.[2]

Gangbaarheid

55 % van de Nederlanders;
66 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Bronlink Weblink bron Regine Hilhorst “Toen Bangladesh in Twente lag” (05-11-2014), Tubantia
  2. Bronlink Weblink bron SEM VAN BERKEL “Lessen van succesvol ASML” (15 nov. 2013), De Telegraaf