aanhef

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·hef
enkelvoud meervoud
naamwoord aanhef aanheffen
verkleinwoord aanhefje aanhefjes

Zelfstandig naamwoord

aanhef m

  1. begin (muziekstuk).
  2. begin (boek of gedicht).
  3. begin (van een rede).
Vertalingen



Werkwoord

vervoeging van
aanheffen

aanhef

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van aanheffen
    • ... dat ik aanhef. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie