aangeschoten

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·ge·scho·ten

Werkwoord

vervoeging van
aanschieten

aangeschoten

  1. voltooid deelwoord van aanschieten
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen aangeschoten aangeschotener aangeschotenst
verbogen - - aangeschotenste
partitief aangeschotens - -

Bijvoeglijk naamwoord

aangeschoten

  1. getroffen
    • Tijdens de oorlog kwam er een keer een aangeschoten bommenwerper brandend overvliegen. 
  2. een beetje dronken
    • Hij fietste in aangeschoten toestand naar huis. 
  3. (voetbal: hands) onopzettelijk
    • Hij wist na het aangeschoten hands een doelpunt te maken. 
Uitdrukkingen en gezegden
  • aangeschoten wild (iemand die door een misstap een beschadiging heeft opgelopen aan zijn imago een volgende fout kan hem fataal worden of tot zijn ontslag leiden.)
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.