Naar inhoud springen

aangeschoten

Uit WikiWoordenboek
  • aan·ge·scho·ten
vervoeging van: aanschieten…
verbogen vorm: aangeschotene

aangeschoten

  1. voltooid deelwoord van aanschieten
     De Birkenstocks die ik vanochtend haastig heb aangeschoten zijn zeker twee jaar oud.[3]
stellendvergrotendovertreffend
onverbogen aangeschotenaangeschoteneraangeschotenst
verbogen --aangeschotenste
partitief aangeschotensaangeschoteners-

aangeschoten

  1. getroffen
    • Tijdens de oorlog kwam er een keer een aangeschoten bommenwerper brandend overvliegen. 
  2. een beetje dronken
    • Hij fietste in aangeschoten toestand naar huis. 
     Ze is waarschijnlijk nog helemaal opgeladen van de auditie. Of aangeschoten.[3]
     De man en de vrouw leken een beetje aangeschoten.[4]
     nou ja, hij was verzot op drank en als hij flink aangeschoten was, bleef je uit zijn buurt.[5]
  3. (voetbal: hands) onopzettelijk
    • Hij wist na het aangeschoten hands een doelpunt te maken. 
  • aangeschoten wild
(iemand die door een misstap een beschadiging heeft opgelopen aan zijn imago een volgende fout kan hem fataal worden of tot zijn ontslag leiden.)
  Van het ene op het andere moment was het aangeschoten wild veranderd in een heuse jager die zich vastbeet in zijn prooi. [6] 
 Ik zei niets. Ik voelde me aangeschoten wild.[7]
100 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[8]