aangebonden

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak

ɣəˌbodə(n)}}ɣəˌbɔndə(n)}}

Woordafbreking
  • aan·ge·bon·den
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

vervoeging van
aanbinden

aangebonden

  1. voltooid deelwoord van aanbinden
Hyponiemen
Uitdrukkingen en gezegden

Kort aangebonden zijn.

  • Snel kwaad of boos worden.

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.