aaneenschakelen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
aaneenschakelen aaneenschakelend
aaneenschakeling aaneengeschakeld
- aaneenschakelbaar


Woordafbreking
  • aan·een·scha·ke·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aaneenschakelen
schakelde aaneen
aaneengeschakeld
zwak -d volledig

Werkwoord

aaneenschakelen

  1. (overgankelijk) met schakels verbinden (ook fig.)
    Hij heeft de beide machines aaneengeschakeld.
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen