Naar inhoud springen

aaneengrenst

Uit WikiWoordenboek
  • aan·een·grenst
vervoeging van
aaneengrenzen

aaneengrenst

  1. (in een bijzin) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van aaneengrenzen
    • ... dat jij aaneengrenst. 
  2. (in een bijzin) derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van aaneengrenzen
    • ... dat hij aaneengrenst.