aanbrak
Uiterlijk
- aan·brak
| vervoeging van |
|---|
| aanbreken |
aanbrak
- (in een bijzin) enkelvoud verleden tijd van aanbreken
- ... dat ik aanbrak.
- ... dat jij aanbrak.
- ... dat hij, zij, het aanbrak.
- ... dat ik aanbrak.
- ▸ Als Olive het dorp in liep, zag ze de betrokken gezichten van de inwoners die zich bezorgd afvroegen wie hen zou verdedigen wanneer de dag des oordeels in hun dorp aanbrak.[1]
- Het woord aanbrak staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- ↑ Jessie Burton (vert.Marja Borg)“De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff
, ISBN 9789024574704
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 7
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 2 lettergrepen in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Werkwoordsvorm in het Nederlands
- WikiWoordenboek:Pagina's die ISBN magische koppelingen gebruiken
- Woordenlijst Nederlandse Taal