Naar inhoud springen

aanbrak

Uit WikiWoordenboek
  • aan·brak
vervoeging van
aanbreken

aanbrak

  1. (in een bijzin) enkelvoud verleden tijd van aanbreken
    • ... dat ik aanbrak. 
    • ... dat jij aanbrak. 
    • ... dat hij, zij, het aanbrak. 
     Als Olive het dorp in liep, zag ze de betrokken gezichten van de inwoners die zich bezorgd afvroegen wie hen zou verdedigen wanneer de dag des oordeels in hun dorp aanbrak.[1]
  1. Jessie Burton (vert.Marja Borg)
    “De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024574704