aanbesteedden

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·be·steed·den

Werkwoord

vervoeging van
aanbesteden

aanbesteedden

  1. (in een bijzin) meervoud verleden tijd van aanbesteden
    • ...dat wij aanbesteedden. 
    • ...dat jullie aanbesteedden. 
    • ...dat zij aanbesteedden.