aanbehoorden
Uiterlijk
- Geluid: aanbehoorden (hulp, bestand)
- IPA: / ˈambeˌhordə(n) / (4 lettergrepen)
- aan·be·hoor·den
| vervoeging van |
|---|
| aanbehoren |
aanbehoorden
- (in een bijzin) meervoud verleden tijd van aanbehoren
- ...dat wij aanbehoorden.
- ...dat jullie aanbehoorden.
- ...dat zij aanbehoorden.
- ...dat wij aanbehoorden.