aanbedene

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·be·de·ne
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord aanbedene aanbedenen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

aanbedene v/m

  1. (familie) Een enorm geliefd persoon, met name een vrouw en vaak ironisch bedoeld.


Gangbaarheid

82 % van de Nederlanders;
79 % van de Vlamingen.

Verwijzingen